|
avond gezien, toen hij haar zijn liefdesverklaring maar had meenen te
moeten doen. Daar zat zij nu over te denken, hier aan 't venster. Zij
wilde zich volstrekt alles te binnen brengen, elken trek van zijn
gezicht, elken toon van zijn stem, toen hij haar die woorden had gezegd;
zij wilde voor de tweede maal, nu in gedachten, die zaligheid door
maken. En met veel zekerheid rees de herinnering in haar op. Het was
in het zaaltje, achter, waar ze altijd zaten, als ze menschen kregen,
haar vader en zij; het zal zoo wat tien uur zijn geweest. Jans was juist
voor de tweede maal met wijn rond geweest. Mevrouw van Borselen had al
iets gezongen, Ster en Jozef hadden al wat voorgedragen, toen zij
begreep, dat nu de beurt aan haar zou komen. Wezenlijk had haar vader
haar op zijn gewone goedaardige manier aangezien en gezeid: Mathilde,
laat jij je nu niet eens hooren? en allemaal hadden ze er op
aangedrongen. Zij had zich een beetje zenuwachtig gevoeld, want Jozef
gaf taal noch teeken. Zou hij er wat tegen hebben, dat ik speel, had zij
toen gedacht, dan zal ik juist vreeselijk mijn best doen. Wat zal 't
zijn? vroeg haar vader. Zonder een sekonde te aarzelen had zij erg
bedaard en erg moedig geandwoord: de _Sonate pathetique_, als u 't
permiteert. De woorden waren er uit; nu moest ze 't ook doen. Sints een
paar weken had zij de sonate wel alledag geoefend en de laatste drie
dagen zelfs vlug gespeeld, maar nog nooit had ze zoo'n moeyelijk stuk
ondernomen in gezelschap. Maar zij hield verschrikkelijk veel van de
sonate en dacht, dat zij 'm met gevoel speelde. Zoo had zij dan, terwijl
de kaarsen spattend knapten onder het wachtend zwijgen van de menschen,
zich naar het muziekkastje gebukt, er het dikke kajee uitgenomen en was,
heelemaal klaar voor den strijd, aan de piano gaan zitten. Ineens hoorde
zij nu eene beweging achter haar en zag zij Jozef van Wilden, die
stilletjes dichterbij kwam, zijn oogen, waarin het kaarslicht
terugflikkerde, op haar muziek gericht, zijn snor tusschen de tanden.
Mag ik de bladen omslaan? had hij gevraagd, met een rare stem. Heel
graag, had zij, bizonder koel, geandwoord. Er sijpelde iets kouds door
haar handen; zonder dat zij het wilde tikte een van d'r vingers neer op
een zwarten toets en flauwtjes weerklonk een angstig hooge toon. Maar
zij haalde krachtig adem en was zich meester. Zij was toen zonder
aarzelen maar begonnen. Naarmate zij vorderde, ging het beter. Zij
voelde zich gloeyen onder het spelen. Z
|