|
at dan niet mogelijk zou wezen. Lag hij dan naast haar
of op haar, stond hij buiten het ledikant? Neen. Stond zijn beeltenis
dan afgeschilderd ergends midden in haar hoofd? Dat moest zijn. Zij zag
hem uitkomen op een donkeren kleurlozen of naar het grijs-rood aardenden
achtergrond. Die beeltenis moest dan wel heel klein wezen, om daar
binnen geborgen te kunnen zijn. En toch zag zij hem levensgroot. Hij was
er en hij was er niet. Dat maakte haar weer bang. Dan kwam daar nog bij
waarom sloop die vreemde gestalte zoo bij haar binnen en overmeesterde
al haar denken? Wat had die man een overdreven punten aan zijn snor, die
zij langs haar wang voelde scheren; een heele lichte, nauwelijks
merkbare onaangename geur kwam er rechts uit zijn boord op. De even
zichtbare kringvormige indruksels onder zijn oogen vond zij leelijk ...
En dan was hij haar weer heelemaal vreemd. Wat kwam hij doen, wat wilde
hij toch van haar? Zij en hij waren toch twee verschillende menschen.
Hoe kon zij dan niet aan haar zelf denken zonder hem te zien? Waarom
drong hij zich dan zoo aan haar op en ademde zij met hem samen? Hij
vervolgde haar; wat zou hij haar doen? ...
Dikwijls keek Mathilde in deze dagen weer naar het portret van haar
moeder, droever en bleeker elken dag. De straffe rimpels van de
neusvleugels tot de mondhoeken prentten zich dieper in het gezicht van
de vroeg gestorvene.
De laatste veertien dagen voor het trouwen zorgde Mathilde met haar
modemaakster voor haar japonnen en met boodschapjes in de stad, die al
haar middagen vulden, voor haar verderen uitzet. Zij was ongeduldig. De
tijd moet nu maar gauw verloopen, nu alles toch eenmaal besloten was.
Maar heviger dan vroeger had zij aanvallen van berouw over hetgeen zij
ging beginnen. Zij zou haar goeden, ouden, armen vader alleenlaten? Want
hij kon de huwelijksreis toch niet meemaken, dat ging niet. Hoe had zij
daartoe kunnen besluiten? Maar hij kwam immers later bij hen inwonen?
Ja, ja, maar ondertusschen! Hij werd hoe langer hoe stiller en meer
in-een-gedoken. Wat zou er van hem te-recht komen?
Door allerlei zulke bespiegelingen heen, brak de huwelijksdag aan. Toen
Jozef haar dien avond, dien oppersten avond, meenam naar het station,
was alle gevoel in een verdooving ondergegaan. Het afscheid van haar
vader ging flauwtjes te werk. Zij had den heelen dag bijna niets gegeten
en alleen maar een paar glazen water gedronken. In den trein had zij de
koorts. Geen woord werd er gezegd. De b
|