|
acht gepleegd," sprak Bertolf met sidderende stem:
"Mijn edel paard ligt dood, badend in zijn bloed. Het mes eens
moordenaars heeft het arme dier doorstoken en de misdaad werd een paar
uren geleden gepleegd. Komt kinderen, vergezelt mij naar het tooneel der
slachting."
Sprakeloos volgden de zoons hun bedroefden vader. In den stal lag de
arme Sleipnir levenloos op den grond; de kloeke Bertolf, de oorlogsheld,
weende als een kind. Hij boog zich over het doode lichaam en, als wilde
hij het arme dier tot het leven terugroepen, streek hij snikkend zijne
ruwe hand over de gitzwarte manen van het slachtoffer.
De zoons trachtten hunnen vader te troosten en ... juist toen de jongste
hem wilde naderen, struikelde hij over een voorwerp, dat op den grond
lag. Hij raapte het op, beschouwde het eene wijl en sprak binnensmonds:
"Een mantelhaak! een kostbare mantelhaak! Vader, wien behoort dat
voorwerp?" vroeg hij toen.
Bertolf nam den mantelhaak in de hand, bezag hem aandachtig en riep:
"Dit voorwerp behoort den rijken Grimbald! Gister avond bood hij het mij
met andere kostbare voorwerpen aan, in ruiling voor mijn armen
Sleipnir."
De zoons keken elkander aan en na eene poos sprak de oudste: "Dezen
nacht vluchtte Grimbald als een gemeene dief door het elzenboschje. Mijn
broeder en ik herkenden hem duidelijk. Hij is de moordenaar.
Waarschijnlijk pleegde hij zijne laffe daad in haast en gejaagdheid en
bemerkte niet, dat hij in den stal, zijn mantelhaak verloor.
"Die booswicht! die moordenaar!" kreet Bertolf "hij zal boeten voor
zijne laffe daad" en, van toorn blakend, verliet hij den stal, gevolgd
door zijne beide zoons.
14.--De Salische Wet.[7]
Wat stond den armen, bedroefden Bertolf thans te doen? Zich wreken op
Grimbald? Hem aanvallen, bevechten, dooden? Dat kon niet! De Franken
waren geene wilden; zij hadden gebruiken, wetten, rechters en voor deze
laatsten zou Bertolf den moordenaar dagen.
Nog bij de Franken der V^{de} eeuw werd de rechtspleging uitgeoefend
door vrije mannen, onder voorzitterschap van een gekozen of erfelijk
hoofd. Deze rechtbank echter zetelde niet zoo als bij ons in een huis of
paleis, maar in de open lucht, in een bosch of onder een alleen staanden
boom.
Een in den grond bevestigd schild, duidde de plechtigheid der
vergadering aan en een kring, gevormd door een gespannen koord, scheidde
de rechtsprekenden van de menigte.
Binnen den kring waren scarnen of banken geplaatst, meestal vi
|