|
n schalk opwies, bracht de
ziekelijke zoon van den grooten keizer zijne dagen in droefgeestigheid
door. Edelvrouwen en heeren zagen hem, door kamers en gangen van 't
paleis van Vallodolid, zijn armzalig lichaam op waggelende beentjes
voortsleepen, alsof hij moeite had de zwaarte te dragen van zijn
groot hoofd, met stekelig blond haar bedekt.
Steeds zocht hij de donkere gangen op en bleef er uren lang zitten, met
de beenen uitgestrekt. En als een dienstknecht er uit onachtzaamheid
op trapte, liet hij hem geeselen, en als hij hem hoorde huilen van
pijn, deed het hem goed, maar hij lachte niet.
's Anderen daags haalde hij elders in de gangen van het paleis
dezelfde streken uit. Edelvrouwen, heeren en schildknapen, die hem
voorbijgingen, deed hij struikelen, en als zij vielen en zich bezeerden
deed hem dat genoegen, maar hij lachte niet.
En zoo iemand hem aanraakte en niet viel, huilde hij alsof hij geslagen
was: en de ontsteltenis ziende, was hij blij, maar hij lachte niet.
Zijne Majesteit hierover verwittigd, beval, dat men geen acht op den
infant moest geven, zeggende, zoo hij niet wilde dat men hem trapte,
hij zijne voeten niet moest zetten waar eens anders beenen gingen.
Zulks mishaagde Philippus, doch hij zei niets; men zag hem niet meer,
tenzij in den tuin, wanneer hij, bij helderen zomer dag, zijn schraal
lichaampje in de zonne ging warmen.
En als keizer Karel, van den oorlog teruggekeerd, zijn zoon vol
somberheid zag zitten, sprak hij:
--Mijn zoon, hoe zeer verschilt gij van mij! Op uwen leeftijd klom ik
op de boomen achter de eekhoorntjes; met een koord liet ik mij langs
steile rotsen glijden om arendsnesten te ledigen. Ik kon er het leven
bij inschieten, maar mijn lichaam werd er des te sterker om. Op de
jacht vluchtten de wilde dieren, als ze mij zagen met mijn vuurroer.
--Ach! zuchtte de infant, 'k heb buikpijn, heer vader.
--Paxarete-wijn is een uitstekend geneesmiddel tegen de buikpijn,
sprak Karel.
--Dien wijn lust ik niet; 'k heb hoofdpijn, heer vader.
--Mijn zoon, zei Karel, gij moet loopen, springen, stoeien, zooals
de andere kinderen van uwen leeftijd doen.
--Mijne beenen zijn stijf, heer vader.
--Kan het anders? sprak Karel, gij maakt er houten beenen van. Wacht,
ik ga u vastbinden op een vurig peerd.
De infant weende.
--Bind mij niet vast, sprak hij, ik heb pijn aan de lenden, heer vader.
--Maar, vroeg Karel, hebt gij dan overal pijn?
--Het zou niets zijn, zoo men
|