|
zich steeds vast
aan zijne laatste vrouw, eene jonge Bagoba van veertien jaar.
Den volgenden morgen blijkt ons escorte van inlandsche lansiers met
eenige manschappen verminderd, want de Infieles beginnen te begrijpen
dat zij een gedeelte van onzen voorraad zullen hebben te dragen. Mani,
schijnbaar zoo dienstvaardig mogelijk, stookt onder de hand zijn volk
op, dat zij weigeren eenigen last te dragen. Toch is het noodig, dat
wij althans eenige mondbehoeften medenemen. Dit gehaspel veroorzaakt
vertraging, zoodat wij eerst tegen den middag vertrekken kunnen.
Nadat wij, niet zonder moeite, door eene diepe beek zijn getrokken,
komen wij op eene vlakte, die met hooge boomen is begroeid, welke
gaandeweg vervangen worden door groote bosschages van bamboe, waarvan
de krachtvolle stengels eene hoogte bereiken van dertig tot veertig
voet. Een tropische plasregen, van hevige windvlagen vergezeld,
noodzaakt ons, gedurende eenigen tijd stil te houden; als wij onzen
tocht hervatten, bevinden wij ons weldra aan den rand van een diep
ravijn, waarvan de wanden loodrecht afdalen; zeer tot onze spijt,
moeten wij hier van onze paarden afscheid nemen. De soldaten krijgen
nog iets meer te dragen, en wij beginnen langs de steile, boschrijke
helling af te dalen, tot wij eindelijk aan den oever komen van de rio
Tagulaya, een breeden en diepen bergstroom, die nu, door de regens
gezwollen, met onstuimig geweld door zijne nauwe bedding schiet.
Op zekere hoogte boven de rivier is een enkele bamboestengel van de
eene rots naar de andere gespannen; de Bagobos gaan, met hunne bloote
voeten, met het grootste gemak over deze meer dan eenvoudige brug;
voor ons heeft dat meer moeite in. Aan de overzijde stuit de brug
tegen een hoogen, gladden rotswand, waarlangs een liane gespannen is;
ons aan die liane vastklemmende, klauteren wij met levensgevaar naar
beneden, elk oogenblik dreigende in de bruisende wateren te storten
van de Tagulaya, die dertig voet beneden ons, schuimend en kokend,
zich een weg baant over en tusschen puntige rotsen. Het is mij
onverklaarbaar, hoe onze soldaten, met hunne wapenen en onze bagage
beladen, zonder ongeval beneden komen. Als wij eindelijk allen op
eene smalle landtong zijn aangekomen, slaan wij daar ons bivouak
op, tusschen de eerste boomachtige varens. De plek is wonderschoon;
wij brengen daar een kalmen nacht door, in slaap gewiegd door het
harmonisch geruisch der wateren.
7 October.--Ten zeven uren des morgens bev
|