FREE BOOKS

Author's List




PREV.   NEXT  
|<   17   18   19   20   21   22   23   24   25   26   27   28   29   30   31   32   33   34   35   36   37   38   39   40   41  
42   43   44   45   46   47   48   49   50   51   52   53   54   55   56   57   58   59   60   61   62   63   64   65   66   >>   >|  
zoo treurig en zoo smartelijk.... DE ENGEL, _met diepe droefheid_.--Rosa, hebs du gansch dijnen goeden vriend vergeten? Weets du niet meer, wie bij dijne bedsponde heeft gewaakt, om dijne smarten licht en dijnen slaap zacht te maken? HET MEISJE.--Ik weet het nog en bemin dij immer; maar waarom is dijne stem nu zoo treurig? DE ENGEL.--Rosa, du weets niet wie ik ben; en toch, van dijne geboorte tot heden heb ik dij nooit verlaten. Ik stond bij dijne wiege, en zond over dij den zoetsten slaap; dijne lieve droomkens waren bloemen, uit mijne hand over dijn beddeken gestort. Ik bestierde dijne eerste stappekens en wierp voor dijne voetjes de steenen uit het hobbelige pad des levens. Ik, alhoewel boven den mensch verheven, ben dijn slaaf geworden door den band mijner liefde tot dijne ziele.... O, ik was gelukkig, Rosa, omdat het geluk dij wachtte. Dijn hart was als de reinste spiegel, zelfs van den minsten wasem niet besmet. Reeds teekende het dalend licht in de ruimte de hemelbaan, die wij te zamen volgen zouden. Nog een enkel uur, en du hoordes het engelenkoor dijnen welkomstgroet aanheffen.... Nu, eilaas, o smarte! nu is dijne ziel bevlekt met de zonde des ijdelen hoogmoeds.... Het licht is verdwenen ... mijn hart breekt van lijden. HET MEISJE.--Bemins du mij dan zoozeer, goede geest? Zeg mij toch, wat heb ik gedaan, dat dij zulke smarte baart? DE ENGEL.--Du hebs dij in dijne eigene schoonheid verhoovaardigd. HET MEISJE.--Du erkens dus ook, dat ik schoon ben? DE DUIVEL.--Ha, ha, wel gezegd! DE ENGEL.--Eilaas, het kwaad is een gulzig onkruid, dat diepe wortelen schiet!... Rosa, de Heer gaf der hinde fijn gesnedene en snelle voeten,--den zwane den ranken hals,--den pauwe het gulden vederkleed,--der duive de zoete oogen,--den nachtegale het bekorend lied. Dat zij roemen, elk op de gaven, hem door God geschonken: Hij heeft hun niets meer gegeven.... Maar de mensch, o Rosa! zou die zich verhoovaardigen over het zichtbaar slijk des lichaams, en met de dieren wedijveren om de volmaaktheid van hetgene de aarde gegeven heeft, en zij eens verzwelgen en verteren zal? Heeft hij niet een ander en kostbaar juweel? Woont in hem niet het onsterfelijk eigenbeeld zijns Scheppers, de ziel? Zals du die hoogste gift van God miskennen, Rosa? Zals du ondankbaar worden? HET MEISJE.--Neen, ondankbaar niet; maar ik verheug mij toch in de lichaamsschoonheid, door God mij verleend. DE DUIVEL, _tot den engel schertsend_.--Engel d
PREV.   NEXT  
|<   17   18   19   20   21   22   23   24   25   26   27   28   29   30   31   32   33   34   35   36   37   38   39   40   41  
42   43   44   45   46   47   48   49   50   51   52   53   54   55   56   57   58   59   60   61   62   63   64   65   66   >>   >|  



Top keywords:
MEISJE
 

dijnen

 

mensch

 
DUIVEL
 

gegeven

 

treurig

 
ondankbaar
 

smarte

 

gesnedene

 
voeten

gedaan

 

ranken

 

gulden

 
vederkleed
 
snelle
 

schoon

 

schoonheid

 

verhoovaardigd

 
eigene
 

erkens


wortelen

 

schiet

 

onkruid

 

gulzig

 

gezegd

 

Eilaas

 

juweel

 

onsterfelijk

 

eigenbeeld

 

kostbaar


verteren

 

Scheppers

 
hoogste
 

verleend

 

schertsend

 
lichaamsschoonheid
 

verheug

 

miskennen

 

worden

 

verzwelgen


geschonken

 

bekorend

 
roemen
 

wedijveren

 

volmaaktheid

 
hetgene
 

dieren

 
lichaams
 
verhoovaardigen
 
zichtbaar