|
einddoel van den
mensch de formeele grondslag van het verplicht of verboden zijn eener
handeling, dan ziet men ook dadelijk in, waarom het zoovelen St. Thomas
nazeggen: "Primum autem principium in operativis, quorum est ratio
practica, est finis ultimus." [160]
Het einddoel van den mensch is het criterium, waaraan te kennen is of 's
menschen daden goed zijn of kwaad, want het goede werken is goed en het
kwade werken is kwaad, wijl het en in zooverre het een werken is voor of
in strijd met 's menschen werkelijke bestemming, en dit, omdat de mensch
niet gelukkig kan zijn, zoo hij zijn eindoel, zijn volmaaktheid niet
bereikt. [161]
Om terug te keeren bij Grotius, deze geeft een gansch ander antwoord op
de vraag, waarom wij tot dit of dat verplicht zijn. Hij antwoordt niet,
omdat die of die handeling in strijd is met of noodzakelijk gevorderd
wordt voor ons einddoel, maar wijl zij in overeenstemming of niet in
overeenstemming is met de geneigdheden en eigenschappen, die kenmerkend
zijn voor den mensch. Hij gaat dus uit om te weten, wat goed of verkeerd
is, van 's menschen natuurlijken toestand, niet van 's menschen
einddoel; hij belijdt een naturalistische moraal in tegenstelling met
een teleologische.
Zijn naturalistische moraal was het logische gevolg, van zijn opzet, het
verplichte handelen is het wijze handelen, en dit laatste is, het
handelen volgens de geneigdheden van 's menschen natuur. Zoo zien wij de
waarheid van Friedrich Stahl's woorden.
Voor hen, die aan God gelooven, is volgens zijn aard leven, ook het door
God voorgeschreven leven en werken, en dit zal daarom door Hem beloond
worden terwijl het tegenovergestelde zal gestraft worden, aldus de
Groot.
In strijd met St. Thomas voelt Grotius veel voor het stoicisme, in alles
komt hij er echter niet mee overeen; te doen, wat de natuur
voorschrijft, in de hoop op belooning of uit vrees voor straf, is voor
hem daardoor alleen nog geen kwaad.
Men moet zich hier niet in de war laten brengen, door de methode der
scholastieken, die uit 's menschen natuur 's menschen bestemming
afleiden. De zedeleer der school is teleologisch, want uit de
faculteiten van den mensch leidt zij af het einddoel van den mensch,
wijl de "school" wist, dat de mensch zulke faculteiten gekregen had van
God, wijl hij voor zoo iets bestemd was.
Uit het wezen van den mensch, als werk van een alwijzen en almachtigen
Schepper, vloeien noodzakelijk voor het doel van dat wezen
berekende
|