|
,
Utrecht 1890 blz. 120.
[82] L'Ordre International. Ch. Perin. Paris 1888, blz. 271.
[83] Essais de Philosophie Juridique. Louvain 1889, blz. 90-91.
[84] Zoo zegt ook Land. De wijsbegeerte in de Nederlanden 's Gravenhage
1899 blz. 97: "Het recht (merkt hij (Grotius) oordeelkundig op) zoowel
als de rede zijn ...; ons niet anders bekend dan als attributen der
menschelijke natuur. Aan alle menschen zonder uitzondering is de
begeerte eigen naar een vreedzame en volgens de mate van hun begrip
geordende samenleving met hen, die van hun geslacht zijn. En daar wij
als goed en billijk erkennen, alwat in de menschelijke natuur is
gegrond, en als rechtvaardig en betamelijk al wat dienstig is tot het
leven in de maatschappij, hebben wij geen speciale goddelijke of
menschelijke ordinantien noodig om ons te overtuigen van het recht en
den plicht van ieder mensch om zoo te leven als de verstandigen door
eigen scherpzinnigheid en nadenken inzien, dat 's menschen aanleg voor
samenleving hem voorschrijft."
[85] "Inleiding enz." blz. 4. B. 1 D. 2.
[86] Over menschelijk recht, zegt Grotius in zijn "Inleidinghe" enz.
(Amsterd. 1706, B. 1. d. 2 blz. 5.) Menschelijke wet is volkerwet oft
burger-wet: Welk onderscheijt zijn oorspronk heeft gehadt ten tijde als
de menschen soo seer zijn vermeenigvuldigt geworden, dat sij niet
altegader bequaemelijk hebben konnen staen onder een beleijt, ende
oversulx haer in verscheijde burgerlijke gemeenschappen hebben moeten
verdeelen.
Volker-wet is die gemeenlijk bij den volke wort aengenomen tot
onderhoudinge van de gemeenschap des menschelijken geslagtes.
Deze, hoewel sij niet 't eenemael nootsakelik volgt uyt de aengeboren
wet, komt nochtans de selve seer na: ende soo daarom als van wegen haer
wijt-strekkend ende langdurig gebruik wert seer swaerlijk verandert:
gelijk is de wet van 't vrij geleijde der gesanten, ende meer aendere,
rakende vreede en oorlog.
Burger-wet noemen wij die tot haeren naesten oorspronk heeft de wille
van de overheyt eens burgerlike gemeenschaps. Zij is geschreven of
ongeschreven.
[87] Hoc ipsum quod honestum dicimus, pro materiae diversitate, modo (ut
ita dicam) in puncto consistit, ut si vel minimum inde abeas, ad vitium
deflectat, modo liberius habet spatium, ita ut et fieri laudabiliter, et
sine turpitudine omitti aut aliter fieri possit, ferme quomodo ab hoc
esse ad hec non esse statin fit transitus; ac inter aliter adversa, ut
album et nigrum reperi
|