FREE BOOKS

Author's List




PREV.   NEXT  
|<   145   146   147   148   149   150   151   152   153   154   155   156   157   158   159   160   161   162   163   164   165   166   167   168   169  
170   171   172   173   174   175   176   177   178   179   180   181   182   183   184   185   186   187   188   189   190   191   192   193   194   >>   >|  
t en vervolgde: --Ja, groot wonder is er geschied. Dezen nacht is hij gekomen, braaf en schoon. Op zijn gelaat had hij dien witten schijn niet meer, die mij steeds zoo verschrikte. Hij sprak mij liefdevol aan. Ik was verrukt en mijn hert hoorde hem toe. Hij zegde mij: Nu ben ik rijk en weldra breng ik duizend gouden florijnen.--Ja, zeide ik, dat doet mij meer genoegen voor u dan voor mij, Hansken, mijn liefste.--Maar is hier niemand, in huis, dien gij liefhebt en voor wien ik iets doen kan?--Neen, antwoordde ik, zij die hier zijn, hebben niemand van noode.--Zijn Soetkin en Uilenspiegel dan rijk? vroeg hij.--Zij leven zonder iemands hulpe, antwoordde ik.--Niettegenstaande de verbeurte?--Daarop antwoordde ik dat gij liever de pijnbank onderstaan hadt, dan uwe have te laten ontnemen.--Dat wist ik, sprak hij. En stille en zachtjes giegelend, begon hij te spotten met den baljuw en de schepenen, omdat zij u geenerlei belijdenis konden ontrukken. En toen lachte ik insgelijks. 't Ware ook dom geweest, sprak hij, van hunnen schat in het huis te verbergen.... Ik lachte. "Of in den kelder?" Ik knikte van neen. "Of in de lochting?" Ik antwoordde niet.--Ha! sprak hij, dit ware zeer onvoorzichtig.--Integendeel, sprak ik, want water noch muur zullen iets uitbrengen. En hij lachte voort. --Dien nacht vertrok hij vroeger dan gewoonte, na mij een poeierken gegeven te hebben met hetwelk ik, naar hij zeide, naar den schoonsten sabbat zou gaan. Ik deed hem uitgeleide tot aan de deur van de lochting, en ik was slaapdronken. Ik ging, zooals hij gezeid had, naar den sabbat en kwam eerst met de ochtendschemering weder, hier ter plaatse, waar ik den hond verworgd en het gat open vond. Dat is een wreede slag voor mij, want ik beminde hem teederlijk en schonk hem mijne ziel. Maar ik zal u alles geven wat ik bezit, en dag en nacht werken om u te onderhouden. --Ik ben als ijzer op het aambeeld; God en een dief treffen mij tegelijk, zegde Soetkin. --Zoo moogt gij niet spreken, antwoordde Katelijne; hij is geen dief, maar een duivel. Ten blijke zal ik u het perkament toonen, dat hij in de lochting achterliet. Daarop staat geschreven: "Vergeet nimmer mij te dienen. Binnen driemaal twee weken en vijf dagen, krijgt gij dobbel terug. Koester geen twijfel, of het kost u het leven."--En hij zal woord houden. --Arme zinnelooze! sprak Soetkin. Het was heur laatste verwijt. LXXXIII. De twee weken waren driemaal voorbij en de vijf dagen
PREV.   NEXT  
|<   145   146   147   148   149   150   151   152   153   154   155   156   157   158   159   160   161   162   163   164   165   166   167   168   169  
170   171   172   173   174   175   176   177   178   179   180   181   182   183   184   185   186   187   188   189   190   191   192   193   194   >>   >|  



Top keywords:

antwoordde

 

lachte

 

lochting

 
Soetkin
 

niemand

 

sabbat

 

Daarop

 
hebben
 

driemaal

 

verworgd


plaatse

 

beminde

 

schonk

 

teederlijk

 

wreede

 

laatste

 

gezeid

 

uitgeleide

 
schoonsten
 

poeierken


gegeven

 
hetwelk
 

voorbij

 
LXXXIII
 

ochtendschemering

 

slaapdronken

 
zooals
 
verwijt
 

werken

 

duivel


blijke
 
perkament
 

Koester

 

twijfel

 
toonen
 

Vergeet

 

nimmer

 
dienen
 

Binnen

 

geschreven


dobbel

 

krijgt

 

achterliet

 
Katelijne
 

spreken

 

houden

 
onderhouden
 
tegelijk
 
treffen
 

aambeeld