|
p den arduinen stander tegen de
ijzeren poort en liet zijne lamme beenen zwemelen. Als hij in de lucht
keek, kon hij toch raden dat de regen en de vuiligheid gister al was
uitgevallen en dat zijn lijf vandage zou bevrijd blijven;--'t geluchte
was toen nog, grijs met zware wolken die over de daken voeren.
Hier en daar rolde reeds een wagen over de straat door de stilte; de
peerden lieten verdrietig den kop hangen en de voermans, daarnevens,
vervaakt nog, keken niet naar 't geen rond hen stond. 't Werkvolk stapte
haastig over de plankieren langs de huizen. Zij hielden de handen in de
zakken, hun blikken drinkpullen onder den arm en de etenbeurs aan een
touw over den schouder. Ze krimpten kouderig de schouders en rekten den
hals vooruit in den gang. Effenaan een die voorbijkwam wisten de
vrachtleuren een dom, dof woord of eene lachreden die onbeantwoord
bleef. Treite loech of luisterde niet als hij uitkeek naar iets dat
elders roerde of aankwam; hij wachtte lijk altijd, naar entwat dat
gebeuren zou waar hij een kansje zou vinden om een stuiver of een borrel
te verdienen. En lange nog was er niets te zien 't opkijken weerd en de
kerels, bleven als lammelingen in den uchtend staan of liggen en keerden
de oogen met weerzin van den een naar den ander, nijdig dat ze daar met
zoovelen stonden.
Maar dan kwam eene zware zandkar met vier groote honden bespannen uit
de poort van een stapelhuis rijden; een groote kerel mende 't span naar
buiten, sprong boven op de vracht en reed voort.
--Manes! schreeuwde Treite.
De kerel keek op en zocht in de bende.
--Ha, Treite den Bemmel! en hij wenkte met den arm.
Een kansje te snappen! dat doorschokte Treite met een vreugdeklets,
zijne handen stootten zijn lijf van den paalstaak, hij zwaaide de armen
open en wiekte als een kieken dat vliegen wil, hinkend naar de kar.
Manes hield in en wachtte.
--Gaat-ge mee? riep hij van ver.
--Rijen? dat was de eerste en eenige voorwaarde die Treite aanlokte:
zijn zeere voeten niet meer voelen en gevoerd zijn.
--Naar buiten met zand, knikte Manes.
--En de condities? begon Treite omdat hij nu zeker was van 't eerste en
't andere er nog bij wilde.
--Te noen een knorre roggenbrood met zwijnsvleesch en pap, en ook wel
een pinte bier.
--En t' avond?
De kerel loech.
--t' Avond eten we bij de heeren in 't groot gasthof op de markt, met
een flessche wijn, al naarvolgens de winst.
Maar Treite had zijn kreupel been reeds over 't wiel
|